Welkom Gast. Inloggen or Registreren

2 Antwoorden

Ben ik schijnzelfstandige als ik voor mijn vorige baas werk?

Vraag van: 2315 keer bekeken Sociaal statuut

In 2012 ben ik gestopt als werknemer in een bedrijf en een nieuwe job begonnen als ambtenaar. Ik mis creativiteit in mijn nieuw werk en wil graag als zelfstandige werknemer bijverdienen na mijn uren. Ik zou dit willen doen in de vorm van thuiswerken, maar in opdracht van mijn vorige werkgever. Zij zitten met onderbezetting en zouden mij kunnen inzetten om de werkdruk te verlichten voor hun werknemers, voornamelijk tijdens piekperiodes. Ik zou zelf het aantal uren kunnen doorgeven dat ik per week werk voor hen. Graag zouden ze wel een maximum aantal uren kunnen specificeren, zodat de kosten niet de pan uitswingen voor hen. Kan dit? Voor de rest ben ik volledig vrij in vakantie nemen, geen controle op de inhoud van het werk, ik werk met mijn eigen computer,… Er is een goede verstandhouding met mijn vorige werkgever en ik wil daarom hen niet (alsook mezelf niet) in de problemen brengen. Volgens mij is dit geen schijnzelfstandigheid? Alvast bedankt

2 Antwoorden



  1. Noëlla - Securex Ondernemingsloket

    Beste,

    Of iets al dan niet schijnzelfstandigheid betreft is altijd een feitenkwestie.
    Het is meestal na een controle van de sociale inspectie dat dit wordt bepaald.

    Onze juriste kan voor u nagaan of het al dan niet om schijnzelfstandigheid gaat.

    Indien u hier interesse voor heeft kan u steeds contact opnemen met mijn collega’s.
    http://www.securex.eu/seats.nsf/vwGo-Start_nl



  2. Boekhoudkantoor De Factuurwinkel bvba

    Toch opletten geblazen. Zie onderstaande tekst.

    De Programmawet (I) van 27 december 2006, gewijzigd door een wet van 25 augustus 2012, bevat een titel XIII (Art. 328 tot 343) over de ” aard van de arbeidsrelaties ” die tot doel heeft het fenomeen van de schijnzelfstandigen te verhinderen.
    Een beroepsactiviteit kan worden uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst geregeld door het sociaal recht of in het kader van een aannemingsovereenkomst afkomstig uit het handelsrecht.

    De arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van een werkgever.
    De drie karakteristieke elementen van deze overeenkomst zijn: de arbeid, het loon en de gezagsverhouding. Het sociaal statuut van de werknemer onder arbeidsovereenkomst is dat van de loontrekkende.

    De aannemingsovereenkomst houdt in dat een partij, de aannemer, zich verbindt tegenover een andere partij om een bepaald werk uit te voeren tegen een bepaalde prijs. Het sociaal statuut van de aannemer is dat van de zelfstandige.

    Hetgeen de loontrekkende werknemer fundamenteel onderscheidt van de zelfstandige, is het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding bij de uitvoering van de beroepsactiviteit. Indien de arbeid wordt verricht onder het gezag van een ander persoon, dan is er een arbeidsovereenkomst en zeker geen aannemingsovereenkomst.

    Diegene die men schijnzelfstandigen noemt zijn werknemers die, goed- of kwaadschiks, het sociaal statuut van de zelfstandige aannemen, terwijl zij in werkelijkheid hun beroepsactiviteit uitoefenen onder het gezag van hun medecontractant, en dus in de hoedanigheid van loontrekkende werknemer. Deze toevlucht tot schijnzelfstandigen laat toe de arbeidskost te drukken, doordat de betaling wordt ontlopen van patronale socialezekerheidsbijdragen in het kader van het statuut van de loontrekkende werknemer, alsook de betaling van sommen die verschuldigd zijn in het kader van het individueel en collectief arbeidsrecht.

    Deze sociale fraude ondergraaft zwaar de solidariteit waarop het hele systeem van de Belgische sociale zekerheid berust. Zij laat tegelijk ook toe om te ontsnappen aan de verplichtende regels die verbonden zijn aan een arbeidsovereenkomst, zoals de regels in geval van verbreking van de overeenkomst, alsook de regels ter bescherming van de werknemers, waaronder de Arbeidswet van 16 maart 1971, die ondermeer de arbeid- en rusttijd en de moederschapsbescherming regelt, de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers of nog de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

    In ons rechtsbestel zijn de partijen vrij om samen de aard te bepalen van de overeenkomst die hen verbindt, maar dan nog is vereist dat het gedrag in hun beroepsmatige samenwerking niet het bestaan aan het licht brengt van feitelijke elementen die onverenigbaar zijn met de gekozen kwalificatie. Het Hof van Cassatie heeft in verschillende arresten (Cass. 28 april 2003, J.T.T. 2003, p. 261; Cass. 22 mei 2006, http://www.juridat.be) bevestigd dat de werkelijke wil van de partijen moet worden gerespecteerd op voorwaarde dat deze wordt bevestigd door de uitvoering die zij aan hun verbintenissen hebben gegeven. Dit lijkt over een te stemmen met de principes die dienaangaande op internationaal vlak zijn ontwikkeld door de IAO.

    Op 15 juni 2006 heeft de Internationale Arbeidsorganisatie een aanbeveling over de arbeidsrelatie aangenomen, die betrekking heeft op de problematiek van de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Met het oog op het bepalen van de aard van het contract geeft deze aanbeveling de voorrang aan de concrete uitvoering van het contract boven de door de partijen gekozen kwalificatie in hun overeenkomst, en raadt zij het gebruik aan van een methode die gebaseerd is op specifieke indiciën.

    De doelstelling van titel XIII van de Programmawet ligt in het verlengde van deze aanbeveling. Zij bestaat erin een kader te creëren dat toelaat om de juridische aard van de arbeidsrelatie te beoordelen. Eerst worden de algemene criteria vastgelegd die voor de kwalificatie moeten worden in aanmerking genomen en wordt de uitwerking mogelijk gemaakt van een lijst van specifieke criteria die van toepassing zijn op een sector of op één of meerdere beroepen of categorieën van beroepen. Vervolgens wordt voor bepaalde economische sectoren een systeem van weerlegbaar vermoeden van een arbeidsovereenkomst ingevoerd. En tenslotte wordt een administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie ingesteld belast met nemen van beslissingen betreffende de kwalificatie van een arbeidsrelatie.

    Criteria, samenloop en gevolgen
    De Programmawet voorziet in drie types van criteria die zullen moeten worden gebruikt bij de beoordeling van de arbeidsrelatie: de criteria die niet mogen worden aangewend en die we neutrale criteria zullen noemen; de algemene criteria die in elke arbeidsrelatie kunnen worden gebruikt om uit te maken of er al dan niet een gezagsverhouding aanwezig is en tot slot de specifieke criteria die eigen zijn aan een sector of een beroep.

    De neutrale criteria

    Naast de algemene criteria en de specifieke criteria, vermeldt de wet tevens de criteria die niet kunnen dienen om de arbeidsrelatie te kwalificeren.

    Het gaat derhalve om ” neutrale criteria ” die geen enkele invloed mogen hebben op de beoordeling van een beroepsrelatie, noch in de ene richting (loontrekkende werknemer), noch in de andere richting (zelfstandige). Deze criteria stoelen op een aantal juridische elementen die puur vormelijk zijn en die betrekking hebben op de manier waarop de contractpartijen zich voordoen in hun relatie met de sociale en fiscale administratie, maar die niets zeggen over de wijze waarop de partijen in werkelijkheid hun arbeidsrelatie ten uitvoer brengen. Het gaat met name om:

    de titel van de overeenkomst;
    de inschrijving bij een instelling van sociale zekerheid;
    de inschrijving bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
    de inschrijving bij de administratie van de BTW;
    de wijze waarop de inkomsten bij de fiscale administratie worden aangegeven.
    Deze criteria kunnen bijgevolg niet worden ingeroepen in het kader van een procedure die tot doel heeft de aard van een arbeidsrelatie vast te stellen.

    De algemene criteria
    De algemene criteria die moeten toelaten om de aard van de arbeidsrelatie te beoordelen zijn:
    de wil der partijen, de vrijheid of niet om de werktijd te organiseren, de vrijheid of niet om het werk te organiseren en tenslotte, de al dan niet onderwerping aan een hiërarchische controle.

    De algemene criteria die opgenomen zijn in de wettelijke bepalingen liggen in het verlengde van de criteria die door hoven en rechtbanken worden gebruikt in hun beoordeling van de arbeidsrelatie.

    De wil der partijen

    Het fundamentele principe van de wilsautonomie laat de partijen bij een overeenkomst toe om vrij de aard te kiezen van het contract dat hen verbindt (arbeidsovereenkomst of aannemingsovereenkomst) en dus om te bepalen hoe de arbeidsrelatie zal worden uitgevoerd. Deze overeenkomst strekt de partijen tot wet in zoverre zij overeenstemt met de feitelijke realiteit.
    De kwalificatie die de partijen aan hun arbeidsrelatie hebben gegeven vormt doorgaans het uitgangspunt bij een analyse door de rechter. Zij maakt derhalve deel uit van de algemene criteria, doch alleen in zoverre de uitgedrukte wil wordt bevestigd door de effectieve uitvoering van de overeenkomst. De kwalificatie die de partijen hebben gegeven verbindt de rechter niet, maar zij vormt niettemin een belangrijk beoordelingselement aangezien deze kwalificatie moet behouden blijven zolang zij niet onverenigbaar is met de werkelijke toestand waarin de partijen zich bevinden (Cass. 22 mei 2006, http://www.juridat.be; Cass. 27 april 1998, J.T.T. 1998, p. 394 ; Arbh. Luik 19 november 1986, J.T.T. 1987, p. 412).

    Het statuut van werknemer hangt dus alleen maar af van de kwalificatie door de partijen, in de mate waarin die partijen zich in de feiten conform die kwalificatie gedragen.
    Het is de concrete uitvoering van de arbeidsrelatie die het algemeen beoordelingscriterium vormt van de arbeidsrelatie en dit in overeenstemming met de Aanbeveling nr. 198 over de arbeidsrelatie, uitgebracht op 15 juni 2006 door de Internationale Arbeidsorganisatie. Deze aanbeveling geeft immers voorrang aan de concrete uitvoering van de arbeidsrelatie voor de juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie.

    Al dan niet vrij zijn werk en zijn werktijd organiseren
    De onmogelijkheid om vrij zijn tijd te beheren en te organiseren, de verplichting om zich aan een strikt uurrooster te houden en zijn afwezigheden te melden en te rechtvaardigen, de verplichting om een bepaald aantal uren te presteren, te moeten luisteren naar bevelen met betrekking tot specifieke taken en richtlijnen te moeten nakomen, zijn allemaal elementen die een gezagsverhouding doen vermoeden.
    In het kader van een arbeidsovereenkomst verbindt de werknemer zich om zijn werk uit te voeren overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de werkgever. Het is de werkgever die zal beslissen welke taken moeten worden uitgevoerd, waar die moeten worden uitgevoerd en wanneer (bv.: de omstandigheid dat aan een handelsvertegenwoordiger een gedetailleerd en verplichtend activiteitenprogramma wordt overhandigd, met een lijst van te bezoeken klanten en met opgave van de uren en data waarop deze moeten worden bezocht – Arbh. Luik 22 september 1983, J.T.T. 1984, p. 460).

    In het kader van zelfstandige arbeid beschikken de partijen in principe over een grote graad van vrijheid wat de organisatie en de praktische uitvoering van het werk betreft, zelfs indien men aanvaardt dat algemene richtlijnen kunnen worden gegeven die vereist zijn ingevolge dienstnoodwendigheden (bv.: de openings- en sluitingsuren van een winkel die worden opgelegd aan een zelfstandig gerant vormen niet noodzakelijk een aanwijzing van ondergeschiktheid – Arbh. Bergen 23 november 1995, J.T.T. 1996, p. 279).

    De afwezigheid van een verplichting om zijn tijdsgebruik te rechtvaardigen, de vrijheid om te werken volgens een aantal uren naar keuze, de totale vrijheid om de data van zijn verlof te kiezen, zijn in principe aanwijzingen van zelfstandigheid.

    Met betrekking tot deze criteria bestaat een zeer omvangrijke rechtspraak.

    Hiërarchische controle
    De mogelijkheid om controle uit te oefenen op het werk van zijn medecontractant vormt de essentie zelf van het ondergeschikt verband, of die controle nu bestendig dan wel sporadisch is. Wat telt is dat de controle kan plaatsvinden, ook als zij niet op doorlopende wijze wordt uitgeoefend. Controle op zich is trouwens niet onverenigbaar met een zekere autonomie in hoofde van de werknemer bij de uitvoering van zijn werk: zelfs in geval een werknemer over een grote vrijheid beschikt in het kader van zijn arbeid, heeft de werkgever nog de mogelijkheid om gezag uit te oefenen, d.w.z. om leiding te geven aan de werknemer en toezicht op hem uit te oefenen, en na te gaan op welke wijze hij zijn arbeidsprestaties levert.

    De uitvoering van arbeid onder het gezag van de werkgever vormt een essentieel element van de arbeidsovereenkomst. Bij bepaalde vormen van arbeid, zoals het thuiswerk of het telewerk, kan het gezag van de werkgever, en bijgevolg ook diens leiding en toezicht, beperkt zijn. Niettemin betekent de onmogelijkheid van de werkgever om een directe controle op de werknemer uit te oefenen niet dat geen enkel toezicht mogelijk is en dat deze werknemers niet zouden kunnen worden beschouwd als zich bevindend in een arbeidsverhouding van ondergeschiktheid.

    In die zin wordt bijvoorbeeld in de definitie van de arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders duidelijk gesteld dat deze werknemers onder het gezag van de werkgever werken, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan.
    Wat het telewerk betreft, beschouwen zowel de Europese raamovereenkomst over het telewerk van 16 juli 2002 als de CAO nr. 85 betreffende het telewerk, gesloten op 9 november 2005 in de Nationale Arbeidsraad, die uitvoering geeft aan deze raamovereenkomst, het telewerk als een vorm van arbeid in ondergeschikt verband.

    De specifieke criteria

    Een procedure is ingesteld die toelaat om, naast de algemene criteria, ook specifieke criteria vast te leggen voor bepaalde sectoren of beroepen. Deze criteria, die van een socio-economische of juridische orde kunnen zijn, zullen worden vastgesteld bij koninklijk besluit op basis van eensluidende en eenparige adviezen van het Directiecomité van het Federaal aansturingsbureau van de Sociale inlichtingen en opsporingsdienst, van de paritaire (sub)comités of , indien meerdere paritaire comités bevoegd zijn, van de Nationale Arbeidsraad en van de Hoge Raad voor de zelfstandigen en K.M.O.’s. Bij ontstentenis van de bovenvermelde eensluidende en eenparige adviezen, dient het koninklijk besluit in de Ministerraad overlegd te worden.

    Deze specifieke criteria moeten betrekking hebben op elementen die al dan niet op het bestaan van een gezagsverhouding wijzen tussen de contracterende partijen. Zij kunnen niet afwijken van de algemene criteria en de neutrale criteria die zijn bepaald in de wet.

    Een voorbeeldlijst van criteria die aldus kunnen worden gebruikt, bevindt zich in artikel 334, § 3 : de mogelijkheid personeel in dienst te nemen; in ruimtes of met materiaal werken die in eigen bezit zijn; persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen kapitaal; persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en verliezen van de onderneming; verantwoordelijkheid en beslissingsmacht over de financiële middelen…

    Samenloop van criteria en gevolgen

    Wanneer de concrete uitvoering van de arbeidsrelatie de aanwezigheid aan het licht brengt van voldoende algemene criteria, en desgevallend specifieke criteria, die onverenigbaar zijn met de door de partijen gegeven kwalificatie, dan zal het mogelijk zijn om die arbeidsrelatie te herkwalificeren en het geëigende stelsel van sociale zekerheid toe te passen.

    Elk van deze criteria, of ze nu algemeen dan wel specifiek zijn, hebben elk apart genomen geen enkele waarde. Het is de samenloop van meerdere criteria die zal toelaten om te bepalen of de wijze waarop een arbeidsrelatie zich verwezenlijkt, conform is of niet met de kwalificatie die de partijen aan hun contract hebben gegeven.

    Overigens kan de herkwalificatie geen afbreuk doen aan de toepassing van de bepalingen van het socialezekerheidsrecht die het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor loontrekkenden hebben uitgebreid tot bepaalde beroepskrachten (art. 2, § 1, 1° en 3° van de wet van 27 juni 1969; art. 2, § 1, 1° en 3°, van de wet van 29 juni 1981) of die het toepassingsgebied van de socialezekerheidswetgeving voor zelfstandigen hebben uitgebreid (art. 3, §§ 1 en 2, van het K.B. nr. 38).

    Wanneer er wettelijke vermoedens of wettelijke of reglementaire bepalingen bestaan die opleggen of op onweerlegbare wijze doen vermoeden dat de uitoefening van een beroep in de hoedanigheid van zelfstandige of werknemer geschiedt, dan kan geen enkele herkwalificatie plaatsvinden

    Vermoeden, bedoelde sectoren, criteria en gevolgen
    De Arbeidsrelatieswet creëert een systeem van weerlegbaar vermoeden van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde economische sectoren. Behoudens bewijs van het tegendeel wordt de arbeidsrelatie er vermoed uitgevoerd te worden in het kader van arbeidsovereenkomst indien meer dan de helft van de opgesomde criteria verenigd zijn.

    Economische sectoren

    Momenteel worden vier economische sectoren beoogd door het systeem van weerlegbaar vermoeden :

    • 1° Sector van het bouwbedrijf (activiteiten opgesomd in artikel 20, § 2, van het KB n° 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de B.T.W.)

    Worden concreet bedoeld :

    alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Wetboek van de B.T.W., nl. alle werken die betrekking hebben op het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, alsmede elke handeling die zowel erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.
    iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw : a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren, b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een goot, c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen, d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon, e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust, f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst.
    iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.
    ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van hierboven bedoelde goederen.
    • 2° Sector van de bewaking

    Wordt bedoeld de uitoefening van iedere activiteit die erin bestaat om voor rekening van derden alle soorten bewakings- en/of toezichtsdiensten uit te oefenen..

    • 3° Sector van het vervoer

    Wordt bedoeld het vervoer van goederen en/of personen voor rekening van derden, met uitzondering van de ambulancediensten en het vervoer van personen met een handicap.

    • 4° Sector van de schoonmaak

    Wordt bedoeld iedere activiteit die niet reeds beoogd werd in 1° en die onder het toepassingsgebied valt van het Paritair Comité voor de schoonmaak, te weten de activiteiten die hoofdzakelijk of met een duidelijk onderscheiden groep werklieden bestaan uit schoonmaakactiviteiten voor rekening van derden. Het begrip “voor rekening van derden” moet een ruime interpretatie krijgen, nl. “met bestemming van een andere persoon die onderscheiden is van de economische actor die handelt in de hoedanigheid van loontrekkende of van zelfstandige”.

    Onder schoonmaakactiviteiten worden verstaan : alle activiteiten die tot finaliteit hebben schoon te maken, en waarbij geen herstellingsarbeid wordt verricht en/of stukken worden vervangen, met uitzondering van droge technische filters (filterdoeken) en/of roosters, noch herstellings-, toezichts- of regelarbeid, noch montage of demontage, met uitzondering van de activiteiten die in een voorbehandeling of nabehandeling noodzakelijk zijn om machines, toestellen of installaties schoon te maken of na de schoonmaak opnieuw bedrijfsklaar te maken en voor zover dat de voor- en nabehandelingstijd ondergeschikt is aan de behandelingstijd die aan schoonmaak besteed wordt. Worden, bij wijze van voorbeeld, als schoonmaakactiviteiten beschouwd, de volgende activiteiten :

    de binnen- of buitenschoonmaak van roerende of onroerende goederen of installaties;
    het wassen van rollend materieel;
    het schoorsteenvegen;
    het verwijderen van graffiti.
    Onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de schoonmaak vallen eveneens de ondernemingen die hoofdzakelijk een van de volgende activiteiten uitoefenen :

    de ontsmetting van roerende of onroerende goederen;
    de verdelging van ratten of ander ongedierte;
    de uitbating van zwembaden, met uitzondering van bijkomstige hotel-, restaurant- en café-activiteiten, de uitbating van baden, douches of toiletten;
    de activiteiten inzake het in orde of bedrijfsklaar houden of de optimalisatie van de werkomgeving in ondernemingen, scholen, ziekenhuizen, overheidsinstellingen en gelijksoortige inrichtingen, behalve wanneer voornoemde activiteiten worden uitgeoefend naar aanleiding van een verhuizing;
    de activiteiten inzake het in orde of bedrijfsklaar houden van kamers of publieke ruimten in hotels, restaurants en gelijksoortige inrichtingen, behalve wanneer voornoemde activiteiten worden uitgeoefend naar aanleiding van een verhuizing;
    het uitbaten van afvalverbrandingsinstallaties;
    het uitbaten van voor particulieren toegankelijke containerparken, uitgezonderd het vervoer van de containers
    het uitbaten van stortplaatsen, uitgezonderd het vervoer van de containers.
    Onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de schoonmaak vallen eveneens de ondernemingen die hoofdzakelijk of met een duidelijk onderscheiden groep arbeiders, al dan niet gesorteerd afval in bulk of in recipiënt, zoals huishoudelijk afval, grof huisvuil, papier, karton, Plastieken / Metalen / Drankkartons verpakkingen, organisch en ander afval, huis aan huis ophalen, inclusief de inontvangstneming, het laden en het wegbrengen tot het lospunt.
    Onder huis-aan-huis ophaling wordt verstaan, een activiteit van ophaling die uitgevoerd wordt met een bepaalde frequentie, volgens een kalender die is vastgesteld door de Staat, een parastataal, een provincie, een intercommunale, een stad of een gemeente en dus niet op verzoek van de particulieren of ondernemingen. De ophaling van andere dan hierboven bedoelde containers behoort niet tot de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de schoonmaak.

    Het Paritair Comité voor de schoonmaak is niet bevoegd voor de activiteiten die vallen onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het textielverzorging, van het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, van het Paritair Comité voor het garagebedrijf, van het Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid, van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, van het Paritair Comité voor het vervoer, van het Paritair Comité voor de ondernemingen waar teruggewonnen grondstoffen opnieuw ter waarde worden gebracht en van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector.

    Een koninklijk besluit kan de door het vermoeden betrokken economische sectoren uitbreiden. Het moet ook aangenomen zijn op basis van de eensluidende en eenparige adviezen van het Directiecomité van het Federaal aansturingsbureau van de sociale inlichtingen en opsporingsdienst, van de paritaire (sub)comités of, wanneer verschillende paritaire comités bevoegd zijn, van de Nationale Arbeidsraad en van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O.’s. Bij ontstentenis van de bovenvermelde eensluidende en eenparige adviezen, moet het koninklijk besluit in de Ministerraad overlegd worden.

    Het mechanisme van het vermoeden is niet van toepassing op de familiale arbeidsrelaties, nl. :

    op de arbeidsrelaties tussen bloedverwanten en aanverwanten tot de derde graad en tussen wettelijk samenwonenden;
    op de arbeidsrelaties tussen een vennootschap en een natuurlijk persoon, waarbij de natuurlijk persoon een bloedverwant of aanverwant is tot de derde graad van, of wettelijk samenwoont met, hetzij degene die alleen hetzij zij die samen, meer dan 50 procent van de aandelen bezitten van de bedoelde vennootschap.
    Het mechanisme van het vermoeden mag geen afbreuk doen aan de toepassing van de bepalingen van het socialezekerheidsrecht die het toepassingsgebied van de sociale zekerheid van de loontrekkenden hebben uitgebreid tot bepaalde werknemers (art. 2, § 1, 1° en 3°, van de wet van 27 juni 1969; art. 2, § 1, 1° en 3°, van de wet van 29 juni 1981) of die het toepassingsgebied van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van zelfstandigen hebben uitgebreid (art. 3, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 38). Wanneer er wettelijke vermoedens bestaan of wettelijke of reglementaire bepalingen die opleggen of op onweerlegbare wijze vermoeden dat de uitoefening van een beroep gebeurt in de hoedanigheid van zelfstandige of van loontrekkende, dan speelt het vermoeden evenmin niet.

    Criteria en gevolgen

    Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt de in de bedoelde economische sectoren bestaande arbeidsrelatie vermoed te worden uitgevoerd in het kader van een arbeidsovereenkomst wanneer blijkt dat meer dan de helft van de volgende criteria vervuld zijn :

    ontstentenis van enig financieel of economisch risico in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, zoals dit onder meer het geval is bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen, of bij ontstentenis van een persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en de verliezen van de onderneming;
    ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming in hoofde van diegene die de werkzaamheden uitvoert, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd;
    ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid;
    garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties geleverd door diegene die de werkzaamheden uitvoert;
    het zelf geen werkgever zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeengekomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen;
    het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken;
    in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of de huurder is of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd door de medecontractant.
    Wanneer meer dan de helft van deze criteria niet zijn vervuld, wordt de arbeidsrelatie daarentegen weerlegbaar vermoed een zelfstandigenovereenkomst te zijn. Dit vermoeden kan worden weerlegd door alle middelen van recht, onder andere op basis van de in deze wet bepaalde algemene criteria.

    Er wordt een procedure ingevoerd die toelaat om de hierboven opgesomde criteria te vervangen of aan te vullen door specifieke criteria die eigen zijn aan bepaalde sectoren of beroepen. Deze criteria die van socio-economische en juridische aard kunnen zijn, worden bepaald bij koninklijk besluit, op basis van de eensluidende en eenparige adviezen van het Directiecomité van het Federaal aansturingsbureau van de sociale inlichtingen en opsporingsdienst, van de paritaire (sub)comités of, wanneer verschillende paritaire comités bevoegd zijn, van de Nationale Arbeidsraad en van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O.’s. Bij ontstentenis van de bovenvermelde eensluidende en eenparige adviezen, moet het koninklijk besluit in de Ministerraad overlegd worden.

    Administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie
    Deze commissie, die meerdere kamers omvat, is belast beslissingen te nemen met betrekking tot de kwalificatie van een arbeidsrelatie, op gezamenlijk of unilateraal initiatief van de bij die arbeidsrelatie betrokken partijen en in voorkomend geval voor het begin van deze arbeidsrelatie. De beslissingen van de commissie gelden voor een periode van drie jaar en zijn vatbaar voor beroep bij de arbeidsrechtbank.

    Inwerkingtreding
    Titel XIII van de programmawet (I) van 27 december 2006 treedt volledig in werking op 1 januari 2013.


Deze vraag beantwoorden